RIJPELBERG, het groene dorp in Helmond
print

Bodemvondsten in Rijpelberg en omstreken


Geschiedenis van Helmonds’ bodem

door Theo de Jong

De bodem onder Helmond is opgebouwd uit lagen zand, grind en gesteente. Deze zijn in de loop van vele miljoenen jaren gevormd door afzettingen van zee en rivieren. De ondergrond is op verschillende plaatsen gebroken en gescheurd. De breukdelen, de ‘schollen’, zakken of stijgen ten opzichte van elkaar en worden respectievelijk ‘slenk’ of ‘horst’ genoemd. Helmond ligt in de ‘Roerdal-slenk’. Op slechts vier kilometer ten noordoosten ligt een breuk met daarachter het  ‘Peelblok’. Dat deze breuken in de bodem nog steeds actief zijn blijkt uit de aardbeving van 13 april 1992, toen in de vroege morgen een aardschok van 5,8 op de schaal van Richter door Helmond (zuidoost Brabant en Limburg) ging, waarbij het epicentrum bij Roermond lag. In de Roerdal-slenk zijn gedurende de laatste ijstijden door de wind zandruggen ontstaan. Deze verhogingen in het landschap, de ‘dekzandruggen’ of ‘dekzandkopjes’ worden afgewisseld met lage delen waar beken als Goorloop of Schotense loop en de rivier de Aa stromen. Deze beken en rivieren zochten kort na de ijstijd, voor het afvoeren van smeltwater en hemelwater, hun meanderende weg door een landschap met zandruggen en breuklijnen. In de beekdalen zijn de afgelopen duizenden jaren zand, leem en veen afgezet.

(Opmerking van de webmaster bij 1e alinea. Naar huidige inzichten zijn de zandruggen in de late Middeleeuwen ontstaan als gevolg van grootschalige ontbossingen.)

 

Strategische plaatsen, waar hooggelegen dekzandkopjes worden omgeven door beken of rivier, zijn de plekken waar de vroegste bewoners in de prehistorie bij voorkeur verbleven. Die plaatsen in het landschap zijn daarom van groot belang als archeologische terreinen. Hier kunnen sporen worden verwacht van menselijk verblijf vanaf de steentijden tot de late middeleeuwen. Na het ontginnen werden vanaf de late middeleeuwen ook de lager gelegen natte terreinen gebruikt en soms bewoond, zoals het Oude Huys en verschillende watermolens.

 
Mensen in Helmond

Uit bijna alle perioden van de menselijke geschiedenis zijn in Helmond sporen aangetroffen. Dit betekent dat al vanaf zo’n 12.000 jaar geleden mensen in dit gebied meer of minder regelmatig verblijven. Uit de middelste periode van de oude steentijd (midden-Paleolithicum ca 125.000-35.000 jaar geleden) zijn enkele bewerkte vuurstenen bekend. Een fraai rugmes werd gevonden in 1987 op Scheepstal, weliswaar nét aan de Aarle-Rixtelse kant van de weg die de gemeentegrens vormt (afb. ) (Dijkstra en De Jong 1988). Verder werd een afslag uit deze periode gevonden op het Gasthuis in Mierlo-Hout. Beide vondsten zijn uit hun oorspronkelijke context verplaatst en worden daarom als ‘losse vondsten’ beschouwd. Ook in het jongste deel van de oude steentijd waren er mensen hier. Op Croy, langs de Goorloop en de Schevelingse loop, en bij Gansenwinkel en Gasthuis, eveneens langs de Goorloop, zijn diverse bewerkte vuurstenen uit het laatste deel van het jong-Paleolithicum (ca 35.000 tot 10.000 jaar geleden) gevonden.

 

1. Midden Steentijd

In de midden-steentijd (Mesolithicum, ca 10.000 tot 6.000 jaar geleden) waren regelmatig groepen jagers en verzamelaars te vinden in onze omgeving. Hun stenen werktuigen en afvalstukken van vuursteenbewerking worden op veel akkers in het buitengebied teruggevonden. Opvallende plaatsen zijn de Achterste Beersdonk, Eenselaar, Ashorst, Apostelhuis, Gasthuis, Gansenwinkel, De Kroon, De beemden (Croy) en Coovels bos. Op de Eenselaar werd in 1989 een verkennende opgraving uitgevoerd waarbij enkele concentraties vuurstenen en een vuurhaardje werden aangetroffen (afb ).

 

 

2. Nieuwe Steentijd

Op de Eenselaar kon worden aangetoond dat de bewoning uit de midden-steentijd werd opgevolgd door bewoning in de nieuwe steentijd (Neolithicum, ca 6.000 tot 4.000 jaar geleden). Vondsten uit deze periode zijn bekend van Croy, Warande, Eenselaar, Heibergweg, Gansenwinkel, Rietbeemden (afb ), Gulden Aa en Achterste Beersdonk. Vooral deze laatste vindplaats is veelbelovend: bij het verbreden van de Aa nabij Sluis 9 werden diverse bewerkte vuurstenen, waaronder een bladspits, resten van neolithisch aardewerk en een werktuig van hertengewei gevonden (Kam 1958; Knippenberg 1960: 18). Ook de vindplaats Gulden Aa leverde naast een vuurstenen voorwerp enkele geweifragmenten op. De gebieden in de beekdalen bevatten in tegenstelling tot de vindplaatsen op de dekzandkoppen, ook organische resten uit de steentijd. 

 

 

3. Bronstijd

Aanwijzing voor bewoning in de Bronstijd (ca 4.000-2.700 jaar geleden) is nog schaars. Op de Ashorst werd een grafheuvel aangetroffen uit de midden Bronstijd. In de omgeving van Croy werden in de 19de eeuw een depot van drie bronzen bijlen en een beitel gevonden en bij de Warande zijn twee bronzen speerpunten opgebaggerd. Bij Ganzenwinkel zijn vuurstenen werktuigen uit de Bronstijd gevonden (Datema 1990). Bewoning was gedurende de Bronstijd in verhouding tot de midden-steentijd en de Ijzertijd dun. Bij Brandevoort is een vuurstenen pijlpunt uit de late bronstijd gevonden.

 

 

4. IJzertijd

Uit de ijzertijdperiode (ca 700 tot 0 jaar voor Chr) kennen we meer woonplaatsen. Een van de belangrijke terreinen is natuurlijk de nederzetting en het grafveld bij de Ashorst en Brandevoort, opgegraven in 1991 (Tol 1993). Daarnaast werden sporen van bewoning aangetroffen bij Boot-keukens, De Kroon, Medevoort, Slegersstraat, TexDeco, Sjef Remmenlaan, Rietkerklaan, Janssen en Fritsen, Houtse Beemd, Apostelhuis, Overbrug, Oude Toren en kloosterterrein Binderen. Aangrenzend aan Binderen ligt vermoedelijk ook onder woonwijk Jagershof en De Eeuwsels nog de rest van een nederzetting uit de ijzertijd. Mogelijk liggen er ook nog nederzettingen uit de ijzertijd bij Zeelen (Brouwhuis), ten oosten van Brouwhuis en ten oosten van Rijpelberg. Duidelijk is geworden dat vooral in Mierlo-Hout  veel overblijfselen van IJzertijdbewoning nog in de bodem aanwezig zijn.

 

5. Romeinse tijd

Op de ijzertijd volgt de Romeinse tijd, waarvan ook vooral in Mierlo-Hout  veel sporen zijn gevonden. Bijzonder is de nederzetting en grafveld bij Brandevoort, Du Pre en de Ashorst (Arts, 1998; Tol 1993; De Jong 1998; De Jong en Arts 1999). Maar ook op Stepekolk, Boot, Apostelhuis, Gansenwinkel, De Kroon werden bewoningssporen gevonden. In de 3e Haagstraat werd in 1993 een greppel aangetroffen uit de Romeinse tijd (Arts e.a. 1994: 99-100). Aan de Dijkse straat werd een laat-romeinse boerderij opgegraven (Huijbers 1995). Wellicht dat onder de woonwijk Jagershof nog meer bewoningssporen uit de Romeinse tijd liggen, of gelegen hebben. In het stadscentrum en bij het Sportpark De Braak weren enkele Romeinse munten gevonden, wellicht aanwijzingen voor een nederzetting (Datema 1991).

 

 

6. Vroege en volle Middeleeuwen

In de Vroege en Volle Middeleeuwen ontstond een nederzetting rond de Oude Toren van Stiphout. Op de nabijgelegen akkers, Geeneind en Rootakkers, werden scherven gevonden uit de Karolingische periode (750-1000 na Chr). Ook bij een opgraving op het kerkterrein bij de Oude Toren in Stiphout werden scherven en grondsporen uit deze periode gevonden. Karolingische scherven werden ook gevonden bij de Overbrug. Onder hoge akkercomplexen aan de oostkant, nabij Bakelse Brug, Rijpelberg, Oude Aa liggen vermoedelijk nog sporen uit deze periode verborgen. Van een voorstedelijke nederzetting in De Haag werden in 1997 sporen gevonden op het terrein van Begemann. Hier werden sporen van een gebouw, greppels en twee rundergraven gevonden uit de 11de tot 13de eeuw. Vlak daarbij in de bouwput van het Bavariahouse aan de kromme Steenweg werden in 2005 de sporen en het afval van een grote bootvormige boerderij uit de 12de eeuw aangetroffen. De vroegste (voorstedelijke) kern van Helmond moeten we zoeken in deze omgeving, grofweg tussen Hotel Westeind en het Boscotondo complex, tot nabij het Haagje.    

 7. Late en Postmiddeleeuwen

Ontwikkeling van de stad, dorpen en gehuchten vond plaats vanaf circa 1200. In 1220 komt de heerlijkheid Helmond in bezit van hertog Hendrik I van Brabant. In de Haag was toen al een nederzetting met aan de rand daarvan de moerasburcht Het Oude Huys. Tussen 1325 en 1350 wordt het kasteel gebouwd, aan de oostzijde van de Aa. Noordoostelijk van het kasteel groeit geleidelijk het stadscentrum rond de Markt, Kerkstraat en Veestraat. In de omgeving wordt het klooster te Binderen gesticht. Diverse hoeven worden gebouwd die in het bezit zijn van de Heren van Helmond of het klooster te Binderen. Op Scheepstal en bij Stipdonk worden watermolens en hoeves gebouwd. In opdracht van de Heer van Helmond werden in het stadscentrum op drie locaties watermolens gebouwd. Diverse windmolens worden gebouwd, onder andere op het Hoogeind, Molenstraat en Gerwense weg (Stiphout). De windmolen aan de Mierlose weg in Mierlo-Hout is pas in de 19de eeuw gebouwd. Het dorpen Stiphout groeide gedurende de late Middeleeuwen, evenals de gehuchten Mierlo-Hout, Brouwhuis, Dierdonk, Rijpelberg, Kruisschot, Ganzenwinkel, Overbrug, ’t Broek, Medevoort e.d.. Vooral in de 19de en 20ste eeuw neemt het aantal inwoners enorm toe en raakt het buitengebied steeds dichter bebouwd en is er sprake van verstedelijking van het buitengebied.

 

Conclusie

Helmond kent een lange voorgeschiedenis waarbij mensen zeker vanaf de middensteentijd en alle andere perioden in de prehistorie regelmatig op het grondgebied verbleven. In de Romeinse tijd is er duidelijk bewoning in het grondgebied van het huidige Helmond met een bijzondere locatie op Brandevoort waar een nederzetting was die regionale uitstraling moet hebben gehad. In de vroege en volle middeleeuwen wordt er in de omgeving van Helmond gewoond, maar de stad bestond nog niet. Deze is ontstaan aan de oostzijde van de rivier de Aa, terwijl er in deze periode (11de tot 13de eeuw) al een nederzetting was aan de westzijde van de Aa.

Top