RIJPELBERG, het groene dorp in Helmond
print

Publicaties Ruud Wildekamp e.a.

Reageren en reacties? Onderaan deze pagina. 

Wildekamp_Vliegveld_Rijpelbergpag0titel.jpg

Wildekamp_Vliegveld_Rijpelbergpag1.jpg 

Wildekamp_Vliegveld_Rijpelbergpag2.jpg 

Wildekamp_Vliegveld_Rijpelbergpag3.jpg 

Wildekamp_Vliegveld_Rijpelbergpag4.jpg 

*****************************************

Laatste RAF luchtaanval vanaf een Nederlands vliegveld

 

Door: Ruud Wildekamp (Documentatie Groep Volkel)

 

We schrijven 3 mei 1945. De oorlog in Europa loopt op zijn einde. In het noorden zijn de Duitse troepen teruggedrongen tot achter de Elbe en staan de Britten voor Hamburg. In dit stadium van de oorlog bestond er bij het geallieerde opperbevel een grote angst dat grote delen van het ingesloten Duitse leger in Noord-Duitsland en Denemarken zich naar Noorwegen zouden verplaatsen. Daar, in het onherbergzame berggebied, zou de strijd nog lang voortgezet kunnen worden ten koste van grote verliezen aan de zijde van de geallieerden. Om een mogelijke verplaatsing te voorkomen werd op 2 mei het bevel afgegeven om alle schepen die de noord Duitse havens verlieten, aan te vallen. Een verstrekkend bevel, zo zou na de capitulatie blijken.*

 

B.86 Helmond

Na het vertrek van de 124 Wing op 11 en 12 april 1945 was het drukke verkeer, van af en aanvliegende Typhoons, op het vliegveld bij Brouwhuis in de gemeente Bakel en Milheeze, voorbij. Bij de geallieerden was dit vliegveld beter bekend als B.86 Helmond. Wel arriveerde er, vanaf B.65 Eekloo-Maldeghem, die 12e april de 425 Rearming and Refuelling Unit (R & R Unit), een eenheid van de 85th Group binnen 2 TAF. Voor de benodigde medische assistentie op het vliegveld was een geneeskundige eenheid aan 425 R & R toegevoegd. Op dat moment bevonden zich op het vliegveld Helmond alleen nog maar het 2715 AA Squadron RAF-Regiment dat voor de luchtverdediging en bewaking zorg droeg, twee detachementen van de 16th Air Formation Signals die voor de verbindingen zorgden, een detachement van de Royal Engeniers (5th ESBD) die op de naastgelegen Bridge Dump werkten en tijdelijk, het 33 Mobile Repair and Replace Squadron van de USAAF. Deze laatste groep werkte aan de reparatie van de B-17G, die op 30 maart een noodlanding op B.86 Helmond had gemaakt.

De taak van 425 R & R was het opvangen, het tanken en zo nodig voorzien van nieuwe munitie van bezoekende vliegtuigen. De staf van de 425 R & R Unit verklaarde op 15 april het veld weer operationeel voor de ontvangst en verwerking van gevechtsvliegtuigen. Vanaf die datum maakten Spitfires en Mustangs van Fighter Command, boven Duitsland opererend vanuit het Verenigd Koninkrijk, geregeld gebruik van het heropende vliegveld.

 

Donderdag 3 mei 1945

De morgen van die 3 mei 1945 begon tamelijk rustig voor de Britten op B.86. Aan het einde van de middag echter landden drie Vickers Wellingtons Mk.XI, twee van 524 en een van 612 Squadron, die van de basis North Coates bij Grimsby in Lincolnshire waren opgestegen. Deze voormalige bommenwerpers brachten grondpersoneel en reserveonderdelen. Een vierde machine verongelukte direct na de start waarbij een deel van het inzittende grondpersoneel gewond raakte. De drie Wellingtons waren de voorbode van de landing, in het begin van de avond, van twaalf Bristol Beaufighters Mk.X van 236 Squadron en zestien van 254 Squadron, beide behorende tot de North Coates Strike Wing. De North Coates Strike Wing maakte deel uit van de 85th Group binnen 2 TAF, die tijdelijk  bij RAF Coastal Command was ingedeeld

De Beaufifgthers hadden eerder die dag aanvallen uitgevoerd op schepen in de Kieler Bocht en onder de Deense kust. Ze waren daarbij geëscorteerd door 23 Mustangs van 118 en 165 Squadron. De aanvallen van die dag betroffen een passagiersschip, twee onderzeeërs en enkele kleinere schepen. Het passagiersschip voerde rode kruizen op de twee schoorstenen maar werd desondanks toch door de Britten aangevallen. Vanaf drie escorterende schepen werd hevig en goed gericht afweervuur afgegeven op de aanvallende vliegtuigen. De onderzeeërs werden beide tot zinken gebracht. De U-2524 zonk ten zuidoosten van het Duitse eiland Fehmarn. Door de afgevuurde raketten werd een opvarende gedood en raakte de boot ernstig beschadigd. De technische officier, Oberleutnant Werner Braun, weigerde van boord te gaan en ging met het schip ten onder. De tweede gezonken U-boot was de U-2503 die bij het Deense eiland Fyn ten onder ging. Een raket explodeerde in de commandocentrale waarbij de commandant, Kapitanleutnant Wächter en twaalf opvarenden werden gedood. Eén van de aanvallende Beaufighters van 254 Squadron werd door het afweervuur getroffen en stortte brandend in zee. Een tweede, van het 236 Squadron, kreeg een aanvaring met een meeuw en week uit naar B.152 Fassberg. De overige toestellen landden na de aanval, tussen 19.15 en 19.40 uur, op B.86 Helmond. Daarbij schoot de Beaufighter Mk.X (RD456) van 254 Squadron, door opgelopen Flak-schade, van de baan en raakte verder beschadigd aan de romponderzijde, de rechtervleugel en de rechterpropeller. Daarnaast was er een 20 mm granaat dwars door de waarnemerscockpit geslagen zonder de navigator te verwonden. De piloot, Wing Commander D.L. Cartridge en zijn navigator, Flight Lieutenant R.M. Pinkerton, konden ongedeerd het toestel verlaten maar werden, ter observatie, opgenomen in het ziekenzaaltje van de 425 R & R Unit in het nabije klooster 'Christus Koning'.

           

Tweede aanval

Nadat de Beaufighters waren geland, arriveerde nog een vierde Wellington, een toestel van 524 Squadron, op Helmond. Het was een vervangend toestel voor de Wellington die in de middag op North Coates was verongelukt. Gedurende de nacht en ochtend werden de Beaufighters opnieuw voorzien van munitie, raketten en brandstof voor een nieuwe aanval. Rond 07.00 uur in de morgen landden nog twee Beaufighters van 236 Squadron, op B.86. Een derde toestel was verdwaald en keerde naar North Cotes terug. Deze extra toestellen dienden als aanvulling voor de tweede aanval die voor deze 4e mei gepland stond. Beide vervoerden ook reserve onderdelen voor enkele toestellen met storingen. Tussen 13.48 en 14.02 uur in de middag van deze 4e mei, vertrokken 22 Beaufighters van Helmond voor een nieuwe aanval op de schepen in de Kieler Bocht. Twaalf hiervan, allen van 236 Squadron, waren voorzien van acht 25 lbs Armour Piercing Rocket Projectiles, de pantserdoorborende variant van de welbekende 60 lbs Typhoon-raketten. Eén Beaufighter fungeerde nu als 'outrider' ** voor de hoofdmacht, terwijl ook twee Mosquito's Mk.XVIII van 254 Squadron in deze rol meevlogen. Deze twee Mosquito's waren opgestegen van North Coates voor het uitvoeren van een gewapende verkenning ten oosten van het Deense Arhus.

            Opnieuw werden de Beaufighters geëscorteerd door Mustangs, ditmaal van 65 en 118 Squadron. Tijdens deze tweede aanval werden enkele vrachtschepen en drie onderzeeboten aangevallen en, naar bericht van de vliegers, tot zinken gebracht. De waarheid was echter anders, Alleen de U-2338, een ondiep water Klasse XXIII boot werd maar tot zinken gebracht. Ze werd door enkele raketten getroffen waarbij twaalf bemanningsleden omkwamen en verging ten noordoosten van de Deense haven Fredericia.

            Na de operatie werd, met uitzondering van drie toestellen van 236 en vier van 254 Squadron, koers gezet naar de thuisbasis North Coates. Deze toestellen landden, door brandstofgebrek gedwongen, op B.114 Diepholz. Na getankt te hebben startte een toestel van 236 Squadron direct voor een overvlucht naar B.86. Ver kwam het niet want kort na de start kreeg het motorproblemen en stortte neer. Beide bemanningsleden konden gered worden. De overige twee van 236 Squadron landden, met de bemanning van de verongelukte Beaufighter aan boord, om 21.40 uur alsnog veilig op Helmond. Rond dezelfde tijd kwamen ook de vier uitgeweken toestellen van 254 Squadron op B.86 Helmond aan. Daar werden de bemanningen opgewacht door Air Vice Marshal D.A. Boyle, commandant van de 85 Group. Boyle complimenteerde de wing voor de inzet en deelde mede dat dit voor hen de laatste oorlogsmissie was geweest. 's Nachts om 12 uur zou een wapenstilstand van kracht worden die, op 5 mei, om 08.00 uur zou overgaan in de capitulatie van alle Duitse strijdkrachten in Noord-Duitsland, Nederland en Denemarken.

           

Terug naar North Coates

Al eerder die avond was een van de Wellington's van 612 Squadron teruggekeerd naar Langham en om 20.55 uur landden twee Mosquito's Mk.XVIII van 254 Squadron op Helmond. Deze hadden gefungeerd als 'outriders' voor een aanvalsmacht van 35 Beaufighters van 455 en 489 Squadron van de basis Dallachy. Ook deze groep Beaufighters had, na voltooien van de opdracht, op het vliegveld bij Helmond moeten landen. Echter, wegens slecht zicht, werd de aanval kort na de start afgelast en werd naar Langham teruggekeerd. De beide Mosquito's voerden hun verkenning uit zoals gepland en namen daarbij, met het 6 lbs kanon, een drietal vijandelijke schepen onder vuur. Te vergeefs werd radio-contact gezocht met de Dallachy groep die was teruggekeerd om deze naar de schepen te dirigeren. De volgende dag 5 mei 1945, de dag waarop de capitulatie in ons land, Noord-Duitsland en Denemarken inging, keerden alle gevechtstoestellen terug naar het Verenigd Koninkrijk. Ook de resterende Wellington's van 612 Squadron die nog op Helmond stonden,  keerden terug naar North Coates. Daar werd het grondpersoneel afgezet waarna door werd gevlogen naar hun thuisbasis Langham. Deze aanvallen op vluchtende Duitse schepen in de Kieler Bocht en onder de Deense kust gelden als de laatste gevechtsoperaties van de RAF vanaf een Nederlands vliegveld.

 

Dank

Met dank aan Antoon Meijers voor de tekening van de 3 inch raket.

 

Bronnen

The National Archives, Air 27/1449, ORB 236 Squadron ; Air 27/1516, ORB 254 Squadron.

The National Archives, Air 28/592, ORB RAF station North Coates.

The National Archives, Air 29/801, ORB 425 R&R Unit.

Green, W. Famous Fighters of the Second World War (6th impression). London, 1960: 78-83.

Vonk, S. Onder bescherming van de Engel Gabriël. Helmondse herinneringen aan oorlog, bezetting en bevrijding. Helmond, 1994: 222.

Wildekamp, R.H. Van Meerselsche Peel tot Groep Geleide Wapens De Peel. 's-Gravenhage, 1994: 34-37. Zwanenburg, G.J. En nooit was het stil. Deel 2. 's-Gravenhage, 1993:648-649.

http://uboat.net/boats

 

 

 

* Een verstrekkend bevel dat talloze concentratiekampgevangenen het leven zou kosten, zo zou na de wapenstilstand blijken. Meer dan 6.000 gevangenen, voornamelijk Joden, uit het concentratiekamp Neuengamme waren door hun SS-bewakers op de passagiersschepen Athen, Cap Arcona en Thielbeck geplaatst. Kort na het uitlopen uit de haven van Lubeck, op 3 mei 1945, werden de schepen aangevallen door Typhoons van de 123 Wing en tot zinken gebracht. Slechts 4000 gevangenen overleefden dit drama.

 

**De 'Outrider' voerden bewapende verkenningen uit voor een hoofdmacht boven een, van te voren vastgesteld, zeegebied. Zodra een geschikt doel was gevonden werd dit per VHF-radio gemeld en de hoofdmacht en deze zette daarop de aanval in. Deze Mosquito's Mk.XVIII waren uitgerust met een 57 mm (6 lbs) Molins kanon met 25 pantserdoorborende granaten en twee .303 inch machinegeweren. Het 6 lbs kanon was een aangepaste versie van het anti-tankwapen dat door de Britse infanterie frequent werd ingezet tegen gepantserde doelen. Slechts achttien exemplaren van deze Mosquito-variant werden gebouwd en in hoofdzaak ingezet bij de Squadrons 248 en 254 van Coastal Command.

******************************************

 

 

Bommen voor Philips op Eindhoven, Tilburg en Helmond  

31 juli 1942
Bommen voor Philips op Eindhoven, Tilburg en Helmond
Door Ruud Wildekamp. Gemert en Jaap Woortman, Nuenen.

Met de Philipsfabrieken had de Duitse bezetter, op 11 mei 1940, een industrie in handen gekregen, die in staat was de meest moderne machines en elektronische apparatuur te ontwikkelen en te produceren. Weliswaar was, tot grote woede van de Duitsers tijdens de meidagen van 1940, een deel van de moderne communicatie- en navigatieapparatuur en de elektronenbuizen afgevoerd naar het Verenigd Koninkrijk; de ontwikkeling- en productiemogelijkheden evenwel waren achtergebleven.

 

 

  De waarde van het Philipsconcern voor de Duitse oorlogsmachine was al voor de inval onderkend en direct na de bezetting door de Duitsers werd een vertegenwoordiger van het Reichsluftfahrttministerium, per Fieseler Storch naar Eindhoven gezonden. Samen met de Philips directie, een vertegenwoordiger van de rustungsinspection van het O.K.W en een vertegenwoordiger van het Duitse Ministerie van Propaganda Dominik, werd de hervatting van de productie besproken. De verschillende Philips vestigingen in Nederland dienden daarop voor de afzonderlijke krijgsmachtdelen te produceren. De fabriek in Hilversum deed dit voor de Kriegsmarine, die in Dordrecht werkte voor het Heer, het landleger. 

 

  De productie van de hoofdvestiging in Eindhoven werd aan de Luftwaffe toegewezen. Om de productie en de gewenste kwaliteit te waarborgen plaatste het R.L.M. in augustus 1940 een groep gevolmachtigden, de Deutsche Verwaltung der PhilipsUnternehmen, bij de directie van de Eindhovense vestiging. Feitelijk kwam daarmee de leiding over de Nederlandse tak van het concern in Duitse handen. In september 1942 noemden de Duitsers Philips nog de meest belangrijke industrievestiging in Nederland en Dr. L. de Jong stelde in 1975, dat van elke tien elektronenbuizen waarover de Duitsers beschikten, er drie waren gefabriceerd door Philips. Het lag dus voor de hand dat ook de geallieerden het belang van Philips zouden onderkennen en middelen zouden aanwenden om de productie te stoppen of te hinderen.

De eerste luchtaanval gericht op de Philipsfabrieken werd uitgevoerd in de ochtend van 5 december 1940. Die morgen waren vijf Blenheims van 53 Squadron van het R.A.F. Coastal Command opgestegen van hun basis Thorney Island in Hampshire met Eindhoven als bestemming. Drie van hen vonden het opgegeven doel niet. Eén Blenheim wierp zijn bommen daarop op de haven van Vlissingen, een tweede gooide zijn lading op het vliegveld Haamstede en een derde viel het vliegveld Eindhoven aan. Twee van de uitgezonden toestellen vonden de fabriek wel, maar wierpen hun lading zeer onnauwkeurig af. Alle bommen kwamen in een bosgebied aan de zuidrand van de stad terecht. Deze eerste aanval op de Philipsfabrieken stond aanvankelijk gepland voor de middag van 2 december 1940. Het veel te mooie weer zonder wolkendekking was echter de oorzaak, dat deze aanval werd uitgesteld.

De volgende aanval op de Philipsfabrieken vond plaats in de nacht van 30 op 31 juli 1942. Vier Douglas Boston III vliegtuigen van 418 (R.C.A.F.) Squadron, die waren opgestegen van het vliegveld Bradwell in Essex, hadden als opdracht een aanval uit te voeren op de radio- en elektronenbuizenfabrieken van het complex aan de Emmasingel. Om 01.35 uur werd een zware explosie gehoord in Eindhoven, gevolgd door vuurverschijnselen. Een eerste bericht van de Luchtbeschermingsdienst sprak van het neerstorten van een vliegtuig op het pand Nassaulaan. Spoedig  werd echter duidelijk dat het een bomaanval betrof, die de  nabij gelegen, panden 18, 20 en 22 aan de Mauritsstraat in puin had gelegd. De brandweer was snel ter plaatse en kon, samen met de politie en de Luchtbeschermingsdienst, nog 14 personen uit de ingestorte huizen redden. Twee vrouwen kwamen zwaargewond onder het puin vandaan en werden per ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Eén van hen stierf onderweg en de andere overleed op de operatietafel. Tevens werden de dode lichamen van twee mannen en twee vrouwen uit de puinhopen geborgen. In totaal had deze aanval dus zes levens gekost. Bij het opruimen van het puin werd op de 7e augustus vastgesteld, dat drie brisantbommen in de woningen waren geëxplodeerd. Op een staart, die kon worden geborgen, stond vermeld 500 lbs.

Maar wat gebeurde er werkelijk die nacht van donderdag 30 op vrijdag 31 juli 1942? De R.A.F. voerde slechts enkele Intrudervluchten uit naar vliegvelden in ons land en een viertal Bostons van het Canadese 418 Squadron was uitgezonden om de Philipsfabriek in Eindhoven te bombarderen. Eén van de groep Bostons, gevlogen door Flight Leutenant Van Riel (Belg) keerde terug met kompasproblemen. Hij kwam niet verder dan de Belgische kust.
De Boston, met Squadron Leader Brown aan de stuurknuppel, arriveerde als eerste bij het doel en wierp op de aangegeven tijd zijn bommen af. Dit waren de bommen die voor zoveel verwoesting in de Mauritsstraat zorgden. Mogelijk is een bom in het ruim blijven hangen, want de lading bestond uit vier bommen van 500 lbs.
Een derde toestel, gevlogen door Pilot Officer Lukas, een Amerikaan van geboorte, wierp zijn vier bommen af om 01.23 uur. Deze vielen echter niet in Eindhoven, maar in Tilburg! Daar explodeerden drie van de vier afgeworpen bommen. Door deze navigatiefout werd grote verwoesting aangericht in de Josefstraat en stierven twee personen. Drie burgers raakten zwaar gewond, waarvan er één twee dagen later overleed. Naast deze slachtoffers werden vier woonhuizen geheel verwoest en vijf huizen zeer ernstig beschadigd.

Bommen op Helmond
De vierde Boston III, met als bemanning Flight Sergeant Stone, Flight Sergeant Alcoin (Nav.) en Flight Sergeant Forsythe(Ag.), wierp, volgens het verslag van de vlieger Flight Sergeant Harold 'Mick' Stone, zijn bommen af om 02.40 uur. Hij was, gedwongen door een lekke band, later gestart dan de drie andere toestellen.
Na de berekende vliegtijd meende Stone boven Eindhoven te zijn. Beneden zich zag hij een kanaal en fabrieksgebouwen met zaagtandvormige daken en wierp om 02.40 uur daarop zijn bommen af. Maar ook zijn navigatie van die nacht was geen topprestatie.
Gezien het tijdstip moet tenminste één van zijn bommen in Helmond zijn gevallen. Daar werd een magazijn van De Wit dekenfabriek (later H.T.M. of Hatema), op de hoek van de Kanaaldijk Oost en het Hoogeind, getroffen. Ook Stone's Boston had vier bommen van 500 lbs. aan boord, maar in Helmond werd slechts één explosie gehoord. Ook de nachtwaker van De Wit, die de melding aan de politie deed, rapporteerde slechts één explosie, gevolgd door een felle brand in het magazijn. Onduidelijk is nog waar de overige drie vijfhonderdponders van Stone zijn gebleven. Mogelijk liggen ze nog in de nabijgelegen Zuid-Willemsvaart. In het 'After action report' van 418 RCAF Sqn. van die nacht staat: 'Flight Sergeant Stone arrived over target at 02.40 and bombed plant Y in run from east to west from 500 feet. Bombs released simultaneously and are believed to have fallen on southern block of buildings in plant. Smoke seen to rise and flashes of light, as if from broken windows.
No flak.'

In Helmond deden zich geen persoonlijke ongevallen voor. De brand werd bestreden door de Helmondse brandweer en ook de vaste kern van de L.B.D. werd ter assistentie naar de onheilsplek gedirigeerd. De plaatselijke pers, gecontroleerd door de Duitsers, mocht geen melding maken van het gebeurde. In De Zuid-Willemsvaart  14, de voorloper van het Helmonds Dagblad, is dan ook niets terug te vinden over deze calamiteit.
De vliegers van de drie Bostons waren ervan overtuigd, dat ze het Philipscomplex hadden geraakt en meldden op hun thuisbasis treffers te hebben geplaatst op het midden en zuidelijke deel van de fabriek. De aangebrachte schade werd bevestigd door een fotoverkenner.

De melding in  Zwanenburg 1990, dat twaalf 500 ponders op het midden en zuidelijke deel van de fabriek werden afgeworpen, is waarschijnlijk gebaseerd op de vliegermeldingen in het Operational Record Book  van 418 Squadron en wordt dus niet ondersteund door de feitelijke gegevens.
Voor de commandant van de Eindhovense brandweer had deze aanval nog een onverwacht staartje. Hem werd door het Hoofd van de L.B.D., op niet mis te verstane wijze, duidelijk gemaakt, dat zijn dienst op eigen initiatief was uitgerukt. Iets dat niet getolereerd kon worden. De alarmeringscentrale van de L.B.D. diende de uitrukprioriteiten te bepalen en niet de brandweer zelf.

Eén nacht later, om 02.16 uur in de ochtend van de 1e augustus, brak enige paniek uit in het centrum van Eindhoven. Met de verschrikkingen van het bombardement in de nacht daarvoor nog in gedachten, zochten veel inwoners een schuilplaats op, toen zwaar luchtafweer boven de stad losbrak.
Een niet geïdentificeerd vliegtuig was gevangen in de stralenbundels van zoeklichten en de Duitsers probeerden met alle middelen de indringer neer te schieten. Tot opluchting van velen wist het toestel te ontkomen en bleef het verder rustig. Deze rust zou slechts tijdelijk zijn. Later dat jaar, op zondag 6 december 1942, waren de Philipsfabrieken opnieuw doel van een Britse luchtaanval. Bij die aanval zouden, zowel de fabrieken als de omliggende woonwijken, zwaar worden getroffen.

Iets toevoegen?

 
Top